Grensoverschrijdende garage (Amotie)-arrest


Onderwerpen ‐ Misbruik van recht
Artikelen ‐ Artikel 3:13 BW

De feiten

Kuipers heeft een garage gebouwd die over de gehele diepte van zes meter de erfgrens met ongeveer 70 centimer overschrijdt. Buurvrouw de Jongh vordert veroordeling van Kuipers om dat gedeelte van de door hem gebouwde garage hetwelk op het perceel van De Jongh is gebouwd, van dat perceel te verwijderen, althans deze strook gronds te ontruimen en ter vrije beschikking van De Jongh te stellen. Kuipers stelt dat hij uit de omstandigheden mocht afleiden dat hij de garage op de erfgrens had gebouwd, want er had daar altijd een heg gestaan als afscheiding tussen de erven. Tijdens de bouw van de garage was al twijfel gerezen of de heg wel de juiste grens aanwees, maar partijen hadden verondersteld dat eventuele overschrijding onbelangrijk zou zijn en opgelost zou kunnen worden met een geldelijke vergoeding. Pas na inschakeling van een landmeetkundige komt de Jongh erachter dat het om 70 centimer gaat.

Rechtsvraag

Is er sprake van misbruik van recht door het uitoefenen van het recht van amotie?

Overweging

De rechtbank is van oordeel dat De Jongh door haar houding heef toegestemd met de bouw en dat zij geen afbraak kan vragen, maar wel een geldelijke vergoeding.
Het Hof heeft Kuipers veroordeeld om het gedeelte van de garage dat op het perceel van De Jongh is gebouwd te verwijderen.
De Hoge Raad verwerpt het beroep van Kuipers en overweegt met betrekking tot het beroep op misbruik van recht:
Dat nu vaststaat dat Kuipers bij de bouw van zijn garage de grens heeft overschreden, waardoor de Jongh van haar genot van eigendom is verstoken, De Jongh in beginsel recht heeft de amotie van het op haar terrein gebouwde gedeelte van de garage te vorderen, ook al was Kuipers te goeder trouw en heeft hij een redelijke schadevergoeding aangeboden. Misbruik van het recht door het uitoefenen van het recht van amotie zou slechts dan zijn indien het nadeel dat Kuipers door de amotie zou lijden, zowel op zichzelf beschouwd als in zijn verhouding tot het belang dat De Jongh met haar vordering nastreeft, zo groot zou zijn dat, alle verdere omstandigheden in aanmerking genomen, De Jongh naar redelijkheid niet tot de uitoefening van haar recht amotie te vorderen had kunnen komen. In casu is er te weinig door Kuipers aangevoerd wat kan leiden tot de conclusie dat de Jongh zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van recht.

Rechtsregel

Misbruik van het recht door het uitoefenen van het recht van amotie zou slechts dan zijn indien het nadeel dat Kuipers door de amotie zou lijden, zowel op zichzelf beschouwd als in zijn verhouding tot het belang dat De Jongh met haar vordering nastreeft, zo groot zou zijn dat, alle verdere omstandigheden in aanmerking genomen, De Jongh naar redelijkheid niet tot de uitoefening van haar recht amotie te vorderen had kunnen komen.

Relevante artikelen

Art. 3:13 BW:
Lid 1: Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voorzover hij haar misbruikt.
Lid 2: Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

Andere relevante jurisprudentie