Het nagetrokken grafteken-arrest


Onderwerpen ‐ Onroerende zaken, duurzaam met de grond verenigd
Artikelen ‐ Artikel 5:20 BW en artikel 3:3 BW

De feiten

Dit arrest was een proefprocedure die was uitgelokt naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank Breda in augustus 1993. Het ging in deze zaak om een aansprakelijkheidskwestie. Een driejarig meisje was gewond geraakt na een bezoek aan een begraafplaats toen haar oma tegen een grafsteen leunde en deze vervolgens omviel. Volgende de rechtbank was de grafsteen duurzaam met de grond vereniging en door natrekking eigendom geworden van de grondeigenaar. Op de grondeigenaar beruste een risico-aansprakelijkheid en de grondeigenaar werd dan ook aansprakelijk gesteld voor het ongeval.
Deze uitspraak leidde tot veel onduidelijkheid, want tot dat moment waren zowel beheerders van begraafplaatsen als de rechthebbenden op grafmoment ervan uitgegaan dat de grafmonumenten eigendom waren van de rechthebbenden. Bij Rooms-katholieke begraafplaatsen was zelfs in het Modelreglement voor het beheer van een begraafplaats van een Rooms-Katholieke Parochie bepaalt dat de graftekens eigendom zijn van de rechthebbende.
Naar aanleiding hiervan besloot St. Barbara samen met enkele rechthebbenden een proefprocedure te starten om duidelijkheid te krijgen over de eigendom van de grafmonumenten.

Rechtsvraag

Is een grafteken op een ‘eigen graf’ duurzaam met de grond verenigd in de zin van art. 5:20 jo. 3:3 BW?

Overweging

Het Hof kwam tot het oordeel dat de graftekens moeten worden aangemerkt als werken die duurzaam met de grond zijn verenigd in de zin van art. 5:20 BW jo. 3:3 BW. St. Barbara is dus eigenaar van de graftekens. Het Hof oordeelde dat de graftekens volgens de bedoeling van de rechthebbenden als duurzaam herinneringsteken op de graven zijn geplaatst welke bedoeling en bestemming op grond van de aard en de inrichting van de graftekens ook voor een ieder naar buiten kenbaar is. Het heeft deze vraag beoordeeld aan de hand van de ‘portacabin-criteria’ (NJ 1998,87). De verkeersopvattingen kunnen in dit geval niet in aanmerking worden genomen nu buiten twijfel is dat de graftekens gezien hun voor ieder naar buiten kenbare aard en inrichting bestemd zijn duurzaam ter plaatse te blijven en dat aan de duurzaamheid van de bestemming niet kan afdoen dat de onderhavige grafrechten voor bepaalde tijd zijn verleend.
De Hoge Raad hield de uitspraak van het Hof in stand en oordeelde dat het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘duurzaam met de grond verenigd’ noch omtrent het begrip ‘naar aard en inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te lijven. In cassatie werd nog door St. Barabara aangevoerd dat in dit geval de natrekkingsregeling van art. 5:20 BW niet geldt, omdat de wet in art. 28 lid 1 Wlb anders bepaalt. Dit artikel verleent de rechthebbende het recht in het desbetreffende graf een of meer stoffelijke overschotten te begraven en begraven te houden. Echter dit uitsluitend recht verschaft niet de eigendom van het graf. De Wet op de lijkbezorging bepaalt niets omtrent de eigendom van op (eigen) graven geplaatste graftekens.

Rechtsregel

Toepassing ‘Portacabin-criteria’. De verkeersopvattingen kunnen in dit geval niet in aanmerking worden genomen nu buiten twijfel is dat de graftekens gezien hun voor ieder naar buiten kenbare aard en inrichting bestemd zijn duurzaam ter plaatse te blijven en dat aan de duurzaamheid van de bestemming niet kan afdoen dat de onderhavige grafrechten voor bepaalde tijd zijn verleend.

Relevante artikelen

Art. 3:3 BW:
Lid 1: Onroerend zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken.

Art. 5:20 BW:
Lid 1: De eigendom van de grond omvat, voor zover de wet niet anders bepaalt:
a. de bovengrond;
b. de daaronder zich bevindende aardlagen;
c. het grondwater dat door een bron, put of pomp aan de oppervlakte is gekomen;
d. het water dat zich op de grond bevindt en niet in open gemeenschap met water op eens anders erf staat;
e. gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen en werken, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak;
f. met de grond verenigde beplantingen.

Andere relevante jurisprudentie