Buena Vista-arrest


Onderwerpen ‐ Nietigheid, partiële nietigheid
Artikelen ‐ Artikel 3:40 lid 1 BW en artikel 3:41 BW

De feiten

B. Maduro en L.B. Maduro sluiten een koopovereenkomst over een woon-winkelpand. L.B. dient voor de koop 65 000 gulden, in termijnen, aan B. te betalen. Voordat L.B het volledige bedrag aan B. heeft voldaan, komt B. te overlijden. De erfgename van B., Petra Kock, wordt derhalve de nieuwe schuldeiser. De betaling van het resterende bedrag blijft uit en Petra vordert nakoming. Na een tijd overlijdt Petra, en wordt haar erfgename, Lima Maduro, de nieuwe schuldeiser. Al snel blijkt dat het bedrag wat in de overeenkomst is opgenomen lager was dan het daadwerkelijke bedrag dat betaald moest worden, omdat zo werd getracht de overdrachtsbelasting lager te laten doen uitvallen. L.B. stelt nu dat de overeenkomst nietig is wegens strijd met de wet en dat hij derhalve niet meer hoeft na te komen.

Rechtsvraag

Is de overeenkomst nietig wegens strijd met de wet en hoeft L.B. derhalve niet meer na te komen?

Overweging

De Hoge Raad stelt dat er een verschil in nietigheid is, tussen overeenkomsten waar een deel van verboden is, en overeenkomsten waar het bestaan van verboden is. In casu gaat het om een overeenkomst waar een deel van in strijd met de wet is. De Hoge Raad oordeelt derhalve dat slechts dat deel nietig is. De rest van de overeenkomst blijft in stand, tenzij dit in onverbrekelijk verband met het nietige deel staat. De rest van een overeenkomst staat in onverbrekelijk verband met het nietige deel, indien de overeenkomst zonder het nietige deel niet zou zijn gesloten.

Rechtsregel

Indien slechts een deel van een overeenkomst nietig is, partiële nietigheid, blijft de rest van de overeenkomst in stand, tenzij dit in onverbrekelijk verband met het nietige deel staat.

Relevante artikelen

Art. 3:40 BW:
Lid 1: Een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, is nietig.

Art. 3:41 BW:
Betreft een grond van nietigheid slechts een deel van een rechtshandeling, dan blijft deze voor het overige in stand, voor zover dit, gelet op inhoud en strekking van de handeling, niet in onverbrekelijk verband met het nietige deel staat.

Andere relevante jurisprudentie