Asylum case-arrest


Onderwerpen ‐ Gewoonterecht
Artikelen ‐ Artikel 38 Statuut ICJ

De feiten

Na een burgeroorlog in Peru zocht de leider van de verliezende partij asiel in Colombia, dit doet een aantal vragen rijzen over de bevoegdheid van Colombia om asiel te verlenen aan personen die strafbare feiten begaan hebben.

Rechtsvraag

1 Was Colombia bevoegd om asiel te verlenen aan een persoon die strafbare feiten begaan heeft?

Overweging

Colombia rechtvaardigt haar handelen door onder andere verwijzen een verdrag dat in 1911 gesloten werd waarin de staat-partijen het instituut asiel erkennen in overeenstemming met de beginselen van internationaal recht. Verder verwijst Colombia naar verschillende andere verdragen en gewoonterecht.

Het Hof overweegt dat de partij die zich beroept op internationaal gewoonterecht, moet bewijzen dat die gewoonte zich op dusdanige manier ontwikkeld heeft dat deze verbindend is voor de andere partij. De Colombiaanse regering moet bewijzen dat de ingeroepen regel constante en uniforme toepassing vindt door de betrokken staten en dat deze toepassing een uitdrukking is van het recht behorend tot het asielrecht. Dit volgt uit artikel 38 van het Statuut van het Internationaal gerechtshof, dat verwijst naar internationale gewoonte “as evidence of a general practice accepted as law”.

Het Hof concludeert dat een dergelijke regel van internationaal gewoonterecht niet bestaat. Daarbij stelt het Hof dat mocht een dergelijke regel wel bestaan, Peru er niet aan gebonden zou zijn door de werking van het Montevideo Verdrag.

Belangrijke overweging van het Gerechtshof in dit arrest is dat de statenpraktijk, die vereist is voor gewoonterecht, naast nationale gewoonte, ook lokale gewoonte omvat.

Rechtsregel

Colombia was hier niet toe bevoegd, het internationaal recht verzet zich hiertegen.

Relevante artikelen

Artikel 38 Statuut Internationaal Gerechtshof
1. Het Hof, welks taak het is in de daaraan voorgelegde geschillen te beslissen overeenkomstig het internationale recht, doet dit met toepassing van:
a. internationale verdragen, zowel van algemene als van bijzondere aard, waarin regels worden vastgelegd die uitdrukkelijk door de bij het geschil betrokken Staten worden erkend;
b. internationaal gebruik, als blijk van een als recht aanvaarde algemene gewoonte;
c. de door beschaafde volken erkende algemene rechtsbeginselen;
d. onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 59, rechterlijke beslissingen, alsmede de zienswijzen van de meest bevoegde schrijvers der verschillende volken, als hulpmiddelen voor het bepalen van rechtsregelen.
2. Deze bepaling laat onverlet de bevoegdheid van het Hof een beslissing "ex aequo et bono" te geven indien de partijen daarmede instemmen.

Andere relevante jurisprudentie