Plastic boodschappentasje-arrest


Onderwerpen ‐ Verdachte, cautie
Artikelen ‐ Art. 27 & 29 Sv

De feiten

Twee agenten zagen een hun bekende man met een plastic boodschappentasje over straat lopen. De agenten liepen naar hem toe en vroegen wat er in het tasje zat. De man antwoordde hierop dat er vier boeken inzaten. Toen de agenten vroegen waar hij deze boeken had gekocht, antwoordde de man dat hij ze net gestolen had. De agenten hielden de man derhalve aan voor diefstal, de man verweerde zich door te stellen dat zijn verklaring niet gebruikt kan worden nu hem niet van te voren de cautie was gegeven.

Rechtsvraag

Hadden de agenten voordat ze de vragen aan verdachte stelden de cautie moeten geven en mag de verklaring derhalve niet gebruikt worden?

Overweging

Het hof had de verdachte voor diefstal veroordeeld. De Hoge Raad stelde dat de verdachte op het moment dat de agenten de vragen stelden, niet als verdachte in de zin van art. 27 Sv werd aangemerkt. Hij werd pas als verdachte aangemerkt toen hij op de tweede vraag antwoordde dat hij ze gestolen had. Omdat hij de verklaringen had gedaan, voordat hij als verdachte werd aangemerkt, had hem de cautie niet gegeven hoeven te worden en kan zijn verklaring als bewijs worden gebruikt.

Rechtsregel

De cautie hoeft pas gegeven te worden indien iemand als verdachte in de zin van art. 27 Sv wordt aangemerkt. Verklaringen die zijn gedaan voordat iemand als verdachte werd aangemerkt kunnen als bewijs worden gebruikt.

Relevante artikelen

Art. 27 Sv
1. Als verdachte wordt vóórdat de vervolging is aangevangen, aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan eenig strafbaar feit voortvloeit.

Art. 29 Sv
2. Voor het verhoor wordt de verdachte medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.

Andere relevante jurisprudentie