Van Gend & Loos-arrest


Onderwerpen ‐ Directe werking EU-recht
Artikelen ‐ Artikel 30 VWEU, artikel 267 VWEU

De feiten

Van Gend & Loos is een vervoersbedrijf dat goederen van Duitsland naar Nederland exporteerde. Bij het over gaan van de grens werd het geconfronteerd met invoerrechten die verhoogd waren sinds de invoering van het EEG verdrag, waarin bepaald was dat invoerrechten niet verhoogd mochten worden. Het bedrijf stelt een aantal prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU, waarvan de belangrijkste is:

Rechtsvraag

Kunnen burgers onmiddellijk door de rechter te handhaven rechten ontlenen aan artikel 30 VWEU? Met andere woorden, heeft artikel 30 VWEU directe werking?

Overweging

Het Hof van Justitie begint met afbakening van de manier waarop zij te werk zal gaan, het stelt dat bij beantwoording van de vraag of de bepalingen van een internationaal verdrag directe werking hebben, moet worden gelet op de geest, de inhoud en de bewoordingen daarvan.

Het Hof overweegt:
Dat het oogmerk van het VWEU verdrag de instelling van een gemeenschappelijke markt is, dit brengt met zich mee dat het verdrag meer is dan een overeenkomst die slechts wederzijdse verplichtingen tussen de verdragsluitende partijen schept.
Dat dit wordt bevestigd door de preambule van het verdrag, die niet alleen naar regeringen verwijst maar ook naar volken.
Dat organen in het leven geroepen worden die in de uitoefening van hun functie zowel de lidstaten als hun burgers raakt.
Dat ingezetenen een rol kunnen spelen in de Europese Unie door middel van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité
Dat de bevoegdheid die het Hof van Justitie ontleent aan artikel 267 VWEU bewijst dat lidstaten ervan uit zijn gegaan dat hun ingezetenen de gelding van het gemeenschapsrecht bij dit gerecht kunnen inroepen

Uit deze omstandigheden leidt het Hof van Justitie af dat de Europese Unie een nieuwe rechtsorde vormt ten bate waarvan de lidstaten hun soevereiniteit hebben begrensd.
Het EU-recht roept niet alleen verplichtingen ten laste van particulieren in het leven, maar is ook geëigend rechten te scheppen die particulieren uit eigen hoofde geldig kunnen maken.

Artikel 30 VWEU bevat een duidelijk en onvoorwaardelijk verbod, en derhalve een verplichting, niet om iets te doen, maar om iets na te laten. Deze verplichting is door de lidstaten met geen enkel voorbehoud voorzien, waardoor zijn werking afhankelijk zou worden van nadere bepalingen van nationaal recht.

De naleving van artikel 30 VWEU behoeft geen wettelijke tussenkomst van de lidstaten. Dat deze bepaling de lidstaten aanduidt als onderwerp van de verplichting zich te onthouden, brengt niet mee dat hun ingezetenen daar geen rechten aan zouden kunnen ontlenen.

Het Hof van Justitie concludeert dat uit het voorgaande volgt dat, naar de geest, de inhoud en de bewoordingen van het verdrag artikel 30 in die zin moet worden uitgelegd, dat het directe werking heeft en rechten schept welker handhaving aan de nationale rechters kan worden gevraagd.

Rechtsregel

Uit de overwegingen van dit arrest, Van Gend & Loos, en arresten die hierop volgden, zijn de voorwaarden voor directe werking van bepalingen van EU-recht gedestilleerd. Een verdragsbepaling heeft directe werking, en kan dus direct voor de nationale rechter ingeroepen worden, wanneer een bepaling “voldoende helder, precies en onvoorwaardelijk” is.

Relevante artikelen

Artikel 30 VWEU (ten tijde van dit arrest artikel 12 EEG)
In- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden. Zulks geldt eveneens voor douanerechten van fiscale aard.

Artikel 267 VWEU (ten tijde van dit arrest artikel 177 EEG)
Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen
a) over de uitlegging van de Verdragen,
b) over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie,

Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der lidstaten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.

Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale

rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden zich tot het Hof te wenden.

Indien een dergelijke vraag wordt opgeworpen in een bij een nationale rechterlijke instantie aanhangige zaak betreffende een gedetineerde persoon, doet het Hof zo spoedig mogelijk uitspraak.

Andere relevante jurisprudentie